Naar inhoud

Hier een cookie tekst met verwijzing naar de cookies pagina.

Kunstroute door de binnenstad van Groningen.

Wandelroute, 3km

Al wandelend door de bekendste (winkel)straten van Groningen is ook veel kunst te ontdekken. Voor zowel Groningers als niet-Groningers dé manier om de stad te ontdekken. De route loopt vanaf het Centraal Station, langs het Groninger Museum de binnenstad in en eindigt bij SPOT/De Oosterpoort, naast Kunstpunt Groningen. 

Open de route in Google Maps 

Dit is wat je zult zien.

Het Peerd van Ome Loeks

Jan de Baat

Stationsplein (Stadsbalkon)

Het beeld is gemaakt van witgeschilderd, gewapend kwartsbeton. Het paard en de eigenaar zijn geabstraheerd weergegeven. De anatomie wordt getoond door duidelijk afgebakende vlakken. Daardoor ontstaat er een interessant lijnenspel dat versterkt wordt door de werking van licht en schaduw.
 
Over de herkomst van het 'peerd' bestaat onzekerheid. Een bekend Gronings volksliedje Het peerd van ome Loeks is dood, verhaalt over ene Lucas (loeks) van Hemmen en zijn beroemde renpaard. Door een nagelkrab van de eigenaar over de neus zou het paard een dodelijke infectie hebben opgelopen. Er bestaan verschillende versies van hoe het dier aan zijn eind is gekomen. Er zijn zelfs bronnen die beweren dat het lied niet oorspronkelijk Gronings is maar gebaseerd zou zijn op een Duits studentenlied.
 
De verdeeldheid over de geschiedkundige herkomst leek een voorbode te zijn voor de reacties op het beeld zelf. Men vond het paard te mager en de houding met het hangende hoofd te passief. Toen het beeld in 1966 gerestaureerd moest worden, bleek dat ook de kunstenaar niet tevreden was: hij bood aan gratis een heel nieuw ontwerp te maken. De Raad voor de Kunst adviseerde de Gemeente zelfs geen geld meer te spenderen om het beeld te herstellen. Ondanks deze negatieve reacties liep het goed af voor ome Loeks en zijn paard want het beeld siert nu al vele jaren het Stationsplein.

Zonder titel

Maker onbekend

Museumeiland 1 (Philippe Starck paviljoen Groninger Museum)

Op de onderbouw bij het paviljoen van Philippe Starck van het Groninger Museum posteren twee schilddragende leeuwen. Ze zijn waarschijnlijk afkomstig van een borg in Farmsum die in 1811 is afgebroken. Een leeuw toont het wapen van de familie Van Welvelde. Er staan drie rozen en een schildhoofd op, omringd door wolvenkoppen. De andere leeuw draagt het wapen van de familie Ripperda. Hierop zwaait een geharnaste, galopperende ruiter met zijn zwaard boven de gepluimde helm. De leeuwen staan, zeer toepasselijk, op het paviljoen voor de regionale geschiedenis.

Politieman, Handboeien, Sleutelbos

Willem Valk

Ubbo Emmiusstraat 1A

De gevelstenen duiden op de vroegere functie van het gebouw. Het hoofd van een politieman en de handboeien verwijzen naar de politiepost die hier samen met de dienst Gemeentewerken was gevestigd.
 
Valk sloot met zijn gestileerde gevelstenen aan bij de Amsterdamse Schoolstijl van het pand. In de jaren twintig zijn in Groningen veel gebouwen in deze stijl ontstaan. Belangrijk bij de Amsterdamse School is onder meer de integratie van architectuur en beeldhouwkunst.
 
Er zijn in Groningen veel kunstwerken van Willem Valk te vinden. Vanaf het midden van de jaren twintig kreeg hij geregeld opdrachten van de Gemeente Groningen om sculpturen te maken voor nieuwbouwprojecten.

Portaal

Gert Sennema

Folkingestraat 67 (gevel)

In een blinde muur plaatste Sennema een deur met daarvoor een hardstenen opstapje. Op zich niets bijzonders. De deur mist echter een deurklink, een mogelijkheid om geopend te worden.

Achter deze gesloten deur ligt de geschiedenis van de Folkingestraat verborgen. Een geschiedenis die nog maar door weinigen naverteld kan worden omdat de meeste mensen die er eens leefden, tijdens de Tweede Wereldoorlog weggevoerd zijn.

Het lijkt alsof de deur van massief hout is gemaakt maar bij nadere beschouwing blijkt hij van brons. Sennema bewerkte het met patina waardoor de structuur en de kleur van hout opgeroepen wordt.

Het werk maakt deel uit van het project Verbeeld Verleden.

Galgal hamazalot (11 delen)

Joseph Semah

Folkingestraat (de lengte van de straat)

Het werk van Joseph Semah neemt een vrij onopvallende plaats in het straatbeeld in. Semah realiseerde namelijk in het midden van het plaveisel van de Folkingestraat een maancyclus: elf bronzen maanvormen, van volle maan tot nieuwe maan. Wanneer alle vormen samengevoegd zouden worden, ontstaat er een oog. De volle maan fungeert daarbij als pupil.

Het woord maan betekent in het Hebreeuws oog en is bovendien verbonden aan het getal elf omdat in het Hebreeuws getallen aan woorden zijn gekoppeld. Voor Semah vormt de maancyclus een metafoor voor de levenscyclus en de cycli waaruit geschiedenis en toekomst zijn opgebouwd.

Na verloop van tijd zal het patina van de bronzen manen door de voetgangers en fietsers geleidelijk gaan slijten. Hierdoor wordt de glans van het materiaal langzaam onthuld.

Het werk maakt deel uit van het project Verbeeld Verleden.

Het voorgesneden paradepaard

Marijke Gémessy

Folkingestraat 23-25

In het pand op nummer 23 huisde voor de Tweede Wereldoorlog een paardenslager. Door dit gegeven heeft Marijke Gémessy zich laten inspireren. Deze slager was een van de vele joodse winkeliers die hebben bijgedragen aan de bloei van de Folkingestraat. Op gezette tijden werden de paarden aangevoerd en de gang naar het slachthuis ingedreven. De herinnering aan dit deel van het verleden wordt nu instandgehouden door het keramisch reliëf Het voorgesneden paradepaard.

Op het reliëf is in zijaanzicht, op ware grootte, een achterhand van een paard te zien. Ingeklemd tussen twee muren zien we het nog net de slagerij inlopen, vlak voordat het geslacht zal worden. De ontleding – biefstukje en haas – is al zichtbaar gemaakt. Zelfs een keurmerk ontbreekt niet. Achter het paard zijn authentieke slagerijtegels te zien, alleen in de kleur heeft de kunstenares een wijziging aangebracht. Door het spiegelende effect lijkt de ruimte groter. Door het paard op een sokkel te plaatsen wordt het werk behalve een hommage aan de toenmalige winkelier ook een eerbetoon aan het geslachte paard.

Het werk maakt deel uit van het project Verbeeld Verleden.

Zonder titel

Allie van Altena

Folkingestraat 10 en 20

Voor drie verschillende portieken heeft Van Altena geëmailleerde borden gemaakt. De foto’s die hij hierin verwerkt heeft, vond hij in het gemeentearchief. Ze zijn aan het begin van deze eeuw gemaakt op dezelfde plaats waar ze nu in de bewerking van de kunstenaar hangen.

Ze fungeren als een spiegel van het verleden. Als toeschouwer word je getuige van wat zich eens hier afspeelde, zoals een straatfeest of de uitvoering van een toneelvereniging. Het wekt een feestgevoel op dat extra wordt versterkt door de ‘confetti’ die over de foto’s is uitgestrooid.

Sinds 2008 bestaat het kunstwerk uit twee delen. Eén bord raakte zoek bij de verbouw van de gevel en portaal van Folkingestraat 47.

Het werk maakt deel uit van het project Verbeeld Verleden.

Ook Hier

Peter de Kan

Folkingestraat 9 (zijgevel, op 10 m. hoogte)

Ook Hier is een bijzonder kunstwerk. Uit de gevel liet De Kan het woord ‘(Weggehaald)’ frezen. Hij wil hiermee het gemis en de leegte benadrukken in de joodse en Groninger gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog. Door het woord tussen haakjes te zetten, wordt het niet aanwezig zijn nog eens extra geaccentueerd. De Kan wilde laten zien “dat verdwenen is, zonder terug te plaatsen wat verdwenen is”.

Ook de onopvallende plek van het kunstwerk heeft een speciale reden. Volgens de kunstenaar is het een onderwerp dat al niet meer bij iedereen leeft, het is verdwenen naar de marge van de aandacht. Vandaar dat hij zijn kunstwerk geplaatst heeft in de zijlijn, buiten het directe blikveld.

Het werk maakt deel uit van het project Verbeeld Verleden.

Mercurius

Maker onbekend

Akerkhof 1

De Korenbeurs, de naam zegt het al, was de plek waar graan verhandeld werd. Het huidige beursgebouw stamt uit 1865. In en op de neoclassicistische gevel zijn drie beelden van klassieke goden geplaatst.
 
Op de nok van de Korenbeurs staat Mercurius, god van de handel, maar ook van de dieven. Mercurius betekent kwikzilver. Dat deze god zijn functie als handelaar of dief net zo vlug kon uitvoeren als het ongrijpbare kwik onderstrepen zijn attributen. Op zijn hoofd draagt hij een gevleugelde helm en in zijn hand houdt hij de herautstaf, omwonden met slangen en voorzien van vleugels. Aan zijn voeten ligt een wereldbol.
 
Links van de ingang staat Neptunus, god van het water. Rechts Ceres, godin van de landbouw. Neptunus is te herkennen aan zijn drietand. Met zijn linkerhand houdt hij de riem vast van het zeepaard dat aan zijn voeten ligt, zo maakt hij zijn heerschappij over het water en wat erin leeft kenbaar. Ceres heeft ook een aantal attributen bij zich waaraan ze te herkennen is. Ze houdt een korenaar vast en bij haar voeten ligt een mand voor het koren en een eg om het land te bewerken. Samen symboliseren deze drie figuren de betekenis van de handel, zeevaart en landbouw voor de stad Groningen.
 
De meer dan twee meter hoge beelden zijn gegoten in zink. Een techniek die aan het eind van de negentiende eeuw in gebruik raakte, omdat het goedkoper was dan brons en sterker dan gietijzer. De beelden zijn waarschijnlijk ontworpen door Philip Enthoven, lid van de firma L.J. Enthoven & Co. uit Den Haag, die verantwoordelijk was voor het gieten. Op het zeepaard bracht hij zijn naam aan.

Ubbo Emmius Monument

Herbert Janse

Broerstraat 5 (Academiegebouw)

Het kunstwerk van theatervormgever Herbert Janse is gewijd aan Ubbo Emmius, de eerste Rector Magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen. Het bestaat uit een betonnen ‘plantenbak’ waarin een beukenboom – symbool voor de universiteit met al haar takken van wetenschap – geplant is. De boom staat op de bodem van een archeologische put, geworteld in het verleden. De kruin steekt de lucht in, verwijzend naar de toekomst. Op de betonnen bank, opgebouwd uit zes elementen, staan even zo veel stellingen van de historicus/letterkundige Ubbo Emmius. De uitgehouwen ganzenveren in de zitting van de bank verwijzen naar zijn schrijfgerei. De oplopende vorm van de bank verbeeldt de looprichting van een klok. 
 
Met deze richting mee is een twintigtal diepblauwe stenen in de grond gelegd, voorzien van de jaartallen 1994 tot en met 2014. In de eerste steen, uit 1994, zijn de gegevens over het kunstwerk gebeiteld. In de overige negentien stenen staan andere kunstwerken genoemd.
 
Het kunstwerk van Herbert Janse is namelijk het eerste gerealiseerde werk van het kunstproject Kennisjaren 1994-2014 van de Rijksuniversiteit Groningen. Dit project werd in 1994 gestart ter gelegenheid van het 380-jarig bestaan van de universiteit en eindigde in 2014 bij het 400-jarig bestaan.

Minerva

Petrus Ackermans

Broerstraat 5 (Academiegebouw)

Op 27 juni 1909 werd het Academiegebouw opnieuw ingewijd, nadat het vorige pand in 1906 volledig afbrandde. Het gebouw werd opgetrokken in de stijl van de Noord-Nederlandse Renaissance aan het begin van de zeventiende eeuw. De opdrachtgevers verwezen hiermee naar de periode waarin de universiteit gesticht werd. De beeldhouwer Petrus Ackermans ontwierp vijf allegorische beelden. 
 
Minerva staat in volle wapenrusting boven op het Academiegebouw; helm op het hoofd en speer en wapenschild in de hand. Zij is gehuld in een klassiek gewaad dat in plooien om haar lichaam valt en de vrouwelijke vormen accentueert. Scientia en Historia vertegenwoordigen respectievelijk de wetenschap en de geschiedenis. Prudentia staat voor wijs beleid en Mathematica voor wiskunde.
 
De zandstenen beelden, elk circa 175 centimeter hoog, zijn geplaatst in vrij ondiepe nissen die bekroond worden door een halfronde schelpvorm. Ondanks de beperkte ruimte is de kunstenaar erin geslaagd de beelden heel ruimtelijk te laten lijken. Dit heeft hij onder meer bereikt door de plooien in de gewaden diep uit te hakken. Bovendien heeft hij bij elk beeld bepaalde delen laten uitsteken tot voorbij de nis. Zo is de speer van Minerva een opvallend element en steekt de geheven rechterarm van Scientia ver voor de holte uit.

Zonder titel

Aryaan Harshagen

Oude Boteringestraat 18 (Openbare Bibliotheek)

Voor de entree van de Openbare Bibliotheek ontwierp Aryaan Harshagen een hardstenen vloerdecoratie. Dit werk is een goed eigentijds voorbeeld van beeldende kunst die een relatie aangaat met de architectuur: het benadrukt het langwerpige karakter van de binnenplaats die naar de entree van de bibliotheek loopt en verwijst bovendien naar de functie van het gebouw.
 
 In de twee ruitvormige figuren aan het begin en eind van de toegangsstraat heeft de kunstenares twee vierkanten geplaatst waarin tal van letters zijn uitgehakt. In de tegel aan het begin liggen de letters kriskras door elkaar, alsof ze zo uit een boek gevallen zijn. Dit deel van de vloerdecoratie is vóór het hek geplaatst om de aandacht van passanten te trekken, ze nodigen uit verder te lopen. In de tegel aan het eind zijn de letters van het alfabet keurig gerangschikt, van A tot Z. Hierin zou je de overgang van chaos naar orde kunnen zien. 
 
 De ruitvormen worden met elkaar verbonden door twee lange, smalle banden die de gekantelde vierkanten op de hoekpunten vast lijken te pakken. Loodrecht daarop lopen vlak voor de entree nog twee banen naar de zijkant van de toegangsstraat, richting muur. Dit om de verbondenheid met de architectuur nog eens extra te benadrukken.

Farsi largo/Making space

Janet Mullarney

Waagplein (op ca. 6 m. hoogte)

Farsi Largo/Making space bestaat uit twee figuren, een man en een vrouw, die naar elkaar toe lijken te zweven. De man hangt op zijn rug, vrij in de ruimte, gestrekt. Met zijn armen reikt hij naar de vrouw. Zij zit gedeeltelijk vast in de gevel en het lijkt haast alsof ze zich daaruit los probeert te maken. Door de houding en de kijkrichting horen deze beelden duidelijk bij elkaar. Hun verbondenheid wordt nog versterkt door de metalen draden die uit de muur komen. Deze lijnen symboliseren de communicatie tussen de figuren.
 
De kunstenares heeft zich laten inspireren door de plek waar mensen langslopen of stoppen om een praatje te maken. De atmosfeer wordt erdoor gevuld. Op die manier komen de gedachten van de passanten volgens de kunstenares even in contact met de gedachtestroom van het beeld. 
 
Architect Adolfo Natalini gaf de opdracht voor het beeld. Mullarney woont, evenals Natalini, ook in Italië, maar komt oorspronkelijk uit Ierland.

Appuntamento con la Musica

Roberto Barni

Waagplein

Bij de eerste aanblik van Appuntamento con la musica ontstaat enige verwarring. Dan blijkt dat het bovenlichaam van de man 180 graden gedraaid is ten opzichte van zijn onderlichaam. Hij lijkt vooruit te lopen, maar kijkt tegelijkertijd achterom, alsof hij wil zien waar ‘de rest’ blijft. De man bespeelt twee fluiten en heeft in de volksmond de naam Fluitspeler gekregen.
 
Roberto Barni is door architect Adolfo Natalini benaderd voor een kunstwerk in het Waagstraatcomplex. Toen Barni het beeld maakte dacht hij aan een man die op weg is naar een afspraak. Hij loopt op het ritme van de muziek en kijkt achterom. Dat laatste verwijst naar de herinnering, het verlangen om niet te vergeten. Volgens de kunstenaar gaat in het verleden een geweldige energie schuil die de mens voortstuwt en meesleept naar het heden. 
 
De Fluitspeler was al meerdere malen het doelwit van vandalen. Een van de fluiten werd reeds een paar keer afgebroken en daarna telkens vervangen door een exemplaar van harder en sterker materiaal.

Carl von Rabenhaupt

Willem Valk

Waagstraat

De buste van Carl von Rabenhaupt is gemaakt door Willem Valk. De vormgeving is traditioneel – van de vernieuwende invloed die Valk vóór de Tweede Wereldoorlog had is nauwelijks nog iets terug te vinden. Von Rabenhaupt is realistisch weergegeven, zij het dat de gelaatstrekken wat gestileerd zijn. De grote bos krullend haar – de gebruikelijke zeventiende-eeuwse pruik – valt weelderig over zijn schouders. Van het harnas zijn borst- en schouderstuk weergegeven. 
 
 Aan Carl von Rabenhaupt heeft Groningen het jaarlijks terugkerende feest Gronings Ontzet, ook wel ‘Bommen Berend’ genoemd, te danken. Op 28 augustus vieren de stadjers dit feest, ter herinnering aan het eind van het beleg van de stad door de bisschop van Münster, wiens bijnaam Bommen Berend was. Na vijf weken bisschoppelijke overheersing wist veldheer Von Rabenhaupt Groningen op 28 augustus 1672 te bevrijden van dit heerschap.

Sint Maarten

Egbert Reitsma

Grote Markt 24

De architect van het gebouw, Egbert Reitsma, maakte ook de gevelsculptuur Sint-Maarten. De heilige lijkt op zijn ros zó uit de gevel van het pand te lopen. Omdat de sculptuur evenals het gebouw gemaakt is van baksteen, valt het beeld niet echt goed te onderscheiden van de gevel.

Sint-Maarten is zoals gezegd de schutspatroon van de stad Groningen. Elk jaar, op elf november, wordt zijn naamdag gevierd. Kinderen gaan dan met lampions langs de deuren, zingen een lied en krijgen een traktatie. De achterliggende gedachte – in de geest van Sint-Maarten – is een eerlijke verdeling van de welvaart.

Sint Maarten, Bernlef, Agricola

Willem Valk

Kreupelstraat 1 (Martinitoren)

De drie beelden hebben alle een relatie met Groningen. In het midden staat ‘Sint-Maarten’, hij leefde in de vierde eeuw en werd op latere leeftijd bisschop van Tours. Hij is de schutspatroon van Groningen en te herkennen aan zijn zwaard. Hiermee sneed hij zijn mantel in tweeën om een deel aan een bedelaar te schenken. Links staat ‘Bernlef’, een blinde, Friese zanger/dichter, die in de achtste eeuw leefde. Vooral op latere leeftijd kreeg hij bekendheid in Groningen en Friesland met zijn geestelijke liederen. Hij zou van zijn blindheid genezen zijn door de prediker Liudger. Samen zouden ze rondgetrokken hebben door het Noorden om het lied van het Evangelie te brengen. Van zowel zijn ‘heidense’ liederen als psalmen is echter niets bewaard gebleven. Ter herkenning houdt hij een harp in beide handen. 
 
Aan de rechterkant staat ‘Rudolf Agricola’. Hij werd in 1443 in het Groningse Baflo geboren onder de naam Roelof Huysman en ontwikkelde zich tot een van de eerste humanisten van Europese faam. In 1479 vestigde hij zich weer in Groningen. In datzelfde jaar zou Agricola het orgel in de Martinikerk hebben vervaardigd. De miniatuurversie daarvan heeft hij in zijn handen. De beelden staan elk op een console in een ondiepe gotische nis. De nis wordt door twee verticale banen in drieën verdeeld. Door Bernlef en Agricola een kwartslag te draaien en naar Sint-Maarten te laten kijken, heeft Valk ondanks de driedeling een eenheid weten te maken van de figuren.

Sint Joris en de draak

Ludwig Oswald Wenckebach

Martinikerkhof (achter Martinitoren)

Het provinciaal oorlogsmonument Sint-Joris en de draak is gemaakt door Ludwig Oswald Wenckebach. Een allegorie van het zegevieren van het goede over het kwaad. Symbolischer kan de overwinning van de geallieerden op de Duitsers haast niet verbeeld worden. 
 
Doorgaans staat de strijdbare Sint-Joris met zijn voeten op de draak, terwijl hij het gevecht bijna gewonnen heeft. Hier heeft de held echter een allesbehalve strijdlustige houding: het hoofd gebogen, moegestreden wellicht. In zijn rechterhand houdt hij zijn zwaard waarop staat: ‘Justitia, Libertas, Pax’, oftewel: ‘Rechtvaardigheid, Vrijheid, Vrede’. De draak is verwerkt in het enorme zandstenen basement. Het is rondom in reliëf uitgevoerd. 
 
De vroegchristelijke legende van Sint-Joris en de draak stamt uit de vijfde eeuw. De martelaar Georgius versloeg in zijn geboortestreek in Voor-Azië een draak, waarna het volk zich massaal tot het christendom bekeerde. Sinds ongeveer de elfde eeuw is het een populair motief voor de uitbeelding van de strijd tussen goed en kwaad. 
 
Ludwig Oswald Wenckebach (de familie kwam van oorsprong uit Duitsland) begon zijn carrière als kunstenaar met houtsneden en lithografie. Vanaf 1927 vervaardigde hij met name beeldhouwwerken. Vanaf het begin streefde hij naar een strakke, beheerste vormgeving. De Griekse beeldhouwkunst uit de vijfde eeuw voor Christus was hem in zijn werk tot inspirerend voorbeeld. 
Van Wenckebach staan drie beelden in de stad. Naast St. Joris en de draak zijn dat Jongensfiguur en de Liggende Vrouw op de begraafplaats Selwerderhof. Wat deze werken verbindt is de klassieke vorm. In 1934, vlak voor het ontstaan van de Liggende Vrouw, maakte hij een korte rondreis door Griekenland, gevolgd door een vijf maanden durend verblijf in 1938.

Stadsmarkering S10

Paul Virilio

Martinikerkhof (in het park)

Paul Virilio (filosoof), ontwierp het tiende teken: een put. Het is geplaatst in het centrum van de stad. De hoekpunten van de put verwijzen naar de negen markeringen aan de rand van de stad. Op het Martinikerkhof bevond zich tot 1672 de Sint-Walburgkerk. In de kerk zat een waterput op de plek waar nu de stadsmarkering staat. Virilio stelt dat de moderne mens een centraal punt in zijn leven nodig heeft om te kunnen dromen. De put zou zo’n plaats kunnen zijn. Hij biedt een ‘uitzicht’ op het middelpunt van de aarde; verbindt periferie en centrum. Bovendien legt hij het verleden van de stad bloot en laat nieuwe verbanden ontstaan.

Het werk maakt deel uit van het project Stadsmarkeringen, The Books of Groningen, marking the city boundaries.

Bus-stops

Loes Heebink, Shlomo Schwarzberg

Oosterstraat 36 (op de stoep), Gelkingestraat (tegenover nr. 32)

Tussen twee roestvrijstalen pijlers hangt een lichtkrant. Deze geeft geen informatie over de vertrektijden van de stadsdiensten die erlangs rijden. De teksten – van de hand van schrijver Jacques Brooijmans – gaan over reizen, bussen, hart en longen en zijn vaak poëtisch of filosofisch van aard: “Veel gekocht uit balorigheid, hoe snel in de bus begint de spijt.” De Bus-stop in de Oosterstraat wordt bekroond door een transparant kunststoffen hart, verlicht met neon. In de Gelkingestraat, die parallel loopt aan de Oosterstraat, is het hart vervangen door longen. De objecten zijn permanent verlicht en de tekst loopt continu door.

De organen verwijzen naar het centrum en de periferie van de stad. Bij binnenkomst in de stad per bus kom je langs het rode hart in de Oosterstraat, symbool voor het centrum en de dynamische activiteit eromheen. Wanneer je de stad verlaat, reis je via de Gelkingestraat voorbij de groene longen – verwijzend naar de buitenwijken – naar de rust en de ruimte.

Zonder titel (zuil)

André Volten

Rademarkt 12 (trottoir)

De gladde, glanzende roestvrijstalen zuil van André Volten staat verdekt opgesteld tussen de bomen. Hij meet ruim dertien en een halve meter, heeft een doorsnede van bijna een meter en loopt naar boven iets smaller toe. De holle zuil met twee wigvormige inkepingen, die in tegengestelde richtingen breder en smaller worden, lijken daardoor bijna volledig gespleten. Het beeld staat op een relatief kleine sokkel: een platte, ronde doos van steen. De sokkel dient niet alleen als basis; er zitten lampen in die de sculptuur ’s avonds verlichten.

Dit kunstwerk van Volten is in 1971 tot stand gekomen dankzij de zogenaamde ‘percentageregeling’. Deze regeling werd na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd om opdrachten voor beeldende kunst in de openbare ruimte te stimuleren. Er werd bepaald dat anderhalf à twee procent van de kale bouwsom aan beeldende kunst besteed moest worden. Tegenwoordig wordt de regeling op vrijwillige basis toegepast.

Poort St. Anthony Gasthuis

Maker onbekend

Rademarkt 29-1 t/m 29-39

Een zandstenen poort biedt toegang tot het St. Anthony Gasthuis. Aan weerszijden hangen twee gebeeldhouwde vruchtenslingers. Boven de poort is een gevelsteen met inscriptie te zien, verwijzend naar de renovatie in 1695 en de toenmalige voogden. Aan de linker- en rechterkant van de gevelsteen staan een oude man en vrouw. Zij zijn de “oude borgeren en ingesetenen deser stadt” aan wie hier onderdak verleend werd. Het geheel wordt bekroond door een zogenaamd timpaan, versierd met bokaalachtige sculpturen.

Het gasthuis is waarschijnlijk aan het begin van de zestiende eeuw gesticht. Als basis diende het kasteel van de Oost-Friese graaf Edzard, dat kort daarvoor afgebroken was. Het moet ongeveer gestaan hebben op de plaats waar nu het politiebureau gevestigd is. Het houten geraamte van de schrijfkamer en de bibliotheek werd in 1517 naar de andere kant van de straat versleept. Na verloop van tijd bood het gasthuis niet alleen onderdak aan ouderen, ook pestlijders en geesteszieken konden er terecht. Een lucratieve onderneming want het kostgeld van de patiënten vormde een belangrijk deel van de inkomsten. Op zondagmiddag werd het dolhuis, dat deel waar de geesteszieken gehuisvest waren, bovendien een toeristische attractie.

Het Veulen

Wladimir de Vries

Radesingel 4 (tegenover Sint Jozefkerk)

In Groningen zijn diverse kunstwerken van kunstenaar Wladimir de Vries te vinden, waaronder Het Veulen. Dit kleine broertje van Het peerd van Ome Loeks wordt ook wel Lutje Loeks, kleine Loeks, genoemd. Op een sokkel staat een sierlijk veulen fier rechtop. Van de stunteligheid van deze jonge dieren, die niet lijken te weten wat ze met de lange benen moeten doen, is niets terug te vinden.

De werkwijze van De Vries is duidelijk af te leiden van de huid van het bronzen beeld. De kunstenaar maakte een model van klei. Kleine, platte bolletjes ter grootte van een dubbeltje bracht hij regelmatig op het model aan. De ‘dubbeltjesmethode’ wordt deze techniek dan ook wel genoemd. De contouren vervagen enigszins en het spel van licht en schaduw wordt erdoor verlevendigd.

Van Wladimir de Vries zijn in de stad diverse kunstwerken te vinden. De meest bekende zijn Landbouw en Veeteelt, oftewel Blote Bet op de Herebrug, de Wisent in het Noorderplantsoen en dit Veulen aan de Radesingel. Zijn werken - alle figuratief van aard - zijn gerealiseerd in de periode van ongeveer 1950 tot 1980. Dat was juist de tijd waarin een overheersende voorkeur voor abstracte kunst begon te ontstaan. Maar Wladimir de Vries bleef in zijn oorspronkelijke - traditionele - stijl werken. De eigenzinnigheid van De Vries kenmerkt ook zijn beelden waaruit trots en welbehagen spreekt.

Werkmanmonument

Armando

Heresingel (groenstrook tegenover nr. 36)

Een enorme boomstam, de vijf meter hoge sculptuur van Armando, werd gegoten in brons. De boom, die afgaand op zijn omvang enkele honderden jaren oud zou moeten zijn, mist een belangrijk deel dat kenmerkend is voor bomen: de kruin. De stam is abrupt afgekapt. Hoewel de boom geplaatst is temidden van echte bomen, onderscheidt hij zich er sterk van. Dat heeft deels te maken met het monumentale karakter van de sculptuur en deels met de structuur van de stronk die minder realistisch is.

In het Werkmanjaar, in 1995, gaf de Gemeente Armando de opdracht een monument voor de Groninger drukker en kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman te maken. Werkman werd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gefusilleerd in de bossen bij Bakkeveen. Voor Armando was het direct duidelijk dat het monument een bronzen boom moest worden. Bomen zijn voor de kunstenaar, die als kind de Tweede Wereldoorlog meemaakte, verbonden met die oorlog. Vóór de oorlog speelde hij in de bomen en in de oorlog moest hij ze omhakken. Ook Werkman haalt in zijn brieven het omhakken van bomen aan. Dit fenomeen heeft op beide mannen indruk gemaakt. De boom symboliseert kracht maar tegelijkertijd ook kwetsbaarheid, hij staat voor onverzettelijkheid en opstandigheid. Een stille getuige van wat er in de oorlogsjaren gebeurd is.

Zonder titel

Tom Postma, Alexander Schabracq

Trompsingel 27 (gevel)

De constructivistisch ogende toren van Tom Postma en Alexander Schabracq draagt de naam van het cultuurcentrum en wordt bekroond door een rode diamant. ’s Avonds is de toren verlicht door blauw neon. Schuin tegen de entree staat een vlaggenmast met een rode vlag, die gedrapeerd ligt over de rand van het dak. Een wereldbol wordt omarmd door een kronkelende, zwarte buis. Links van de ingang hangt een oog.
 
De kunstenaars beoogden met dit kunstwerk het zakelijke karakter van het gebouw te doorbreken en iets te verraden van wat er zich binnen afspeelt. De lichteffecten en kleuren geven het werk iets feestelijks en vrolijks. Ook de vlag draagt hieraan bij. De rode edelsteen staat volgens de kunstenaars voor de 'sprankelende, gekristalliseerde, extatische ervaring van elke bezoeker aan dit centrum.'