Paul Butzelaar (1962) werkt al tientallen jaren aan een brede kunstpraktijk die steeds verder groeit. In zijn werk richt hij zich vooral op het menselijk lichaam en het landschap. Zijn kunst ontstaat door aandachtig te kijken en door voortdurend te tekenen en te schilderen. Daarbij staat het proces centraal: blijven kijken, blijven proberen en vooral blijven maken.
“Ik ben eigenlijk een beetje in de kunst gerold. Als kind was ik altijd aan het bouwen en knutselen. Ik maakte ingewikkelde houten spelletjes, constructies met glasplaten en kijkdozen waarin je door spiegels een soort eindeloos perspectief kreeg. Toen ik rond 1981 toelating deed op de Gerrit Rietveld Academie nam ik gewoon alles mee wat ik had gemaakt: een enorme hoeveelheid dozen, mappen en objecten. Het schijnt nogal wat geweest te zijn, want ze moesten zelfs tafels van een andere toelatingscommissie lenen om alles neer te leggen. Het heeft kennelijk geholpen, want ik werd toegelaten.
Toch liep het op de academie niet meteen vanzelf. Ik wist eigenlijk al vrij snel dat ik schilder wilde worden, maar het eerste jaar was heel breed ingericht en bestond vooral uit opdrachten waar ik weinig mee had en die weinig met schilderkunst te maken hadden. Ik had de neiging om die opdrachten te saboteren en mijn eigen gang te gaan, wat niet altijd goed viel. Na een jaar vertrok ik en kwam ik uiteindelijk terecht bij Academie Minerva in Groningen, waar ik gelukkig in het tweede jaar kon instromen.
Maar ook daar had ik niet veel met het schoolsysteem en was het vaak een frustrerende tijd. Er was wel één belangrijke les die mij nog altijd is bijgebleven: gewoon doorgaan. Werken, blijven werken en je niet te snel laten ontmoedigen. Wat ik daar misschien wel het meest heb geleerd, is dat je een soort bord voor je kop moet hebben, anders red je het niet in de kunst. Je moet blijven doen wat je doet, ook als het niet meteen lukt of als iemand er kritiek op heeft.
Toen ik in 1987 van de academie kwam, begon eigenlijk pas het echte werk. Je merkt dan dat je nog ontzettend veel zelf moet uitvinden. Zelfs praktische dingen, zoals hoe je een doek opspant, had ik nooit geleerd. Op de academie schilderde je voornamelijk op karton of hardboard en was je veel meer bezig met het ontwikkelen van je eigen kunstpraktijk. Na mijn afstuderen begon ik thuis met een klein atelier en probeerde ik langzaam een praktijk op te bouwen. Mijn eerste tentoonstelling was in een eetcafé, en van daaruit groeide alles geleidelijk verder en kreeg ik steeds meer exposities."
"Het menselijk lichaam heeft altijd een centrale rol gespeeld in mijn werk. Tijdens mijn tijd op Minerva tekende ik veel naar model en in het begin liep dat vaak mis. Er zaten goede werken tussen, maar ook veel tekeningen die gewoon niet werkten. Dat frustreerde me, maar het maakte me ook wat koppig: ik moest en zou dat model begrijpen en vangen.
Begin jaren negentig had ik een atelier in een voormalige fabriek in Peize. Daar begon ik zelf modellen uit te nodigen. Dat was soms een wat chaotische periode. Studenten tipten weer andere studenten, en soms stond er ’s ochtends iemand voor de deur van wie ik niet precies wist wie het was. Na verloop van tijd merkte ik dat het veel beter werkte als ik mensen schilderde die ik kende, zoals vrienden of vaste modellen. Als je iemand een beetje kent, werkt het gewoon anders. In de pauze zit je te praten, na afloop drink je soms een glas wijn samen. Het feit dat iemand naakt poseert wordt dan bijna vanzelfsprekend. Wat telt is dat je op je gemak kunt werken en goed kunt kijken; dat komt het werk ten goede.
Met deze schilderijen had ik als doel dat ik de persoon als het ware zou kunnen vangen, iemand echt te portretteren in diens volledigheid. Dat lukte mij eigenlijk alleen wanneer iemand volledig naakt was. Een tijdlang maakte ik grote modelschilderijen, soms op doeken van meer dan twee meter hoog. Dat vond ik altijd een geweldige manier van werken. Zo’n groot doek dwingt je om fysiek te schilderen. Je bent niet aan het priegelen met kleine penseeltjes, maar je legt grote vlakken neer en werkt met je hele lichaam. Het blijft bijzonder om te zien hoe een schilderij langzaam vorm begint te krijgen tijdens het proces. Ik werk niet volgens een vast patroon of een vaste weg en zodoende is het elke keer weer een spannend proces om dat doel te bereiken. Ieder begin is nieuw, en dat maakt het zowel spannend als dat het soms een slopend proces voor mij blijft. Alleen op gevoel weet je wanneer een tekening of schilderij af is. Dat laat zich moeilijk in woorden vangen, maar soms merk je simpelweg dat een tekening klopt, zonder precies te kunnen uitleggen waarom. Het werk moet op zichzelf kunnen staan, en je voelt wanneer dat punt in het proces is bereikt.
Tegelijkertijd is tekenen voor mij minstens zo belangrijk gebleven. Modeltekenen is in de eerste plaats een manier om te blijven kijken. Door het steeds opnieuw te doen, week na week, jaar na jaar, blijf je bezig en blijf je je ontwikkelen als kunstenaar. Zelfs al doe ik dit meer dan dertig jaar en dacht ik dat ik mijn hoogtepunt wel had bereikt en mijn werk zich niet veel verder kon ontwikkelen, merkte ik tijdens het selecteren van werk voor de tentoonstelling Meters maken bij Podium Zuidhaege dat mijn tekeningen in de afgelopen zes jaar nog steeds zijn veranderd. De lijnen zijn steviger geworden en de vormen duidelijker."
"Naast het werken met modellen schilder ik ook landschappen. Dat begon serieuzer in de jaren negentig, toen ik langere tijd in Zuid-Frankrijk verbleef. Daar buiten in het landschap zitten, de zon voelen en proberen dat licht te schilderen is allesbehalve eenvoudig; het is juist eindeloos uitdagend. In het begin lukte dat helemaal niet zo goed. Iemand zei ooit tegen mij dat mijn schilderijen nog steeds het ‘Hollandse licht’ hadden, zelfs daar in Frankrijk. Dat vond ik toen behoorlijk irritant, maar later begreep ik wat hij bedoelde. Het heeft enige tijd geduurd voordat ik het licht in die schilderijen echt vond, en inmiddels heb ik een palet ontwikkeld waarmee ik dat licht kan schilderen en beheersen. Dat zorgt ervoor dat ik nu zelfs in Nederland dat Franse licht kan schilderen.
Nog steeds voelt het schilderen van landschappen als een zoektocht. Ik ga regelmatig langere tijd naar Frankrijk om daar te werken. Elke keer vraag ik me weer af of het zal lukken, en elke keer ontdek ik toch weer iets nieuws. Dat houdt het spannend. Uiteindelijk draait mijn werk niet om grote theorieën of uitspraken. Het gaat vooral om kijken, tekenen en schilderen, en dat steeds opnieuw doen. Af en toe ontstaat daaruit een tekening of schilderij waarin alles even samenvalt en je toch weer iets nieuws vindt."
Paut Butzelaar exposeert t/m 14 mei 2026 in Podium Zuidhaege in Assen met zijn expositie Meters Maken.